Zoeken in deze blog

Translate

dinsdag 23 november 2010

Juliana wilde vlaggen half stok voor verkeersdoden


Afgelopen weekend (zondag 21 november) vond voor de 15e keer de jaarlijkse nationale herdenking van verkeersslachtoffers plaats in Apeldoorn. Het idee achter deze herdenking is al minstens een halve eeuw oud en kent een opmerkelijke voorgeschiedenis. Ik had hier al langer geleden (in het kader van mijn onderzoek naar de Nederlandse vlag) stukken over gevonden, alleen was het verhaal daarmee nog niet helemaal rond. Met de recente openbaring van het archief van Veilig Verkeer Nederland, ondergebracht bij het Nationaal Archief, kwamen de laatste details vrij. Aan de hand van mijn bevindingen verscheen tevens een algemeen stuk in de pers. Daarom hier het volledige verhaal.

Eerste aanzet herdenking door Wilhelmina

Prinses Wilhelmina vroeg in het najaar van 1958 aan de voorzitter van het Nederlands Verbond voor Veilig Verkeer (de voorganger van VVN) om ‘het in acht nemen van een ogenblik stilte tot ernstige bezinning.’ Zij deed deze oproep mede vanwege het recente ongeluk in augustus van dat jaar met het K.L.M. toestel “Hugo de Groot”. Hierbij vielen maar liefst 99 doden, waarvoor o.a. één minuut stilte was gehouden (mogelijk een noviteit in de Nederlandse geschiedenis bij publieke herdenkingen). Dit was het grootste vliegtuigongeluk tot dan toe in de Nederlandse geschiedenis. De oorzaak ervan is altijd onopgehelderd gebleven. Lees meer hierover:

http://www.aviacrash.nl/paginas/hugo%20de%20groot.htm

‘Het aantal slachtoffers van het verkeer, dat dagelijks dodelijk getroffen, of voor het verdere leven verminkt wordt, is helaas veel groter’, zo schreef Wilhelmina tevens bij die gelegenheid.
Al in 1955 besteedde zij voor het eerst aandacht aan dit thema in een radiorede met als motto "Hebt eerbied voor het leven". Onveiligheid op de weg werd na een aanloop van enkele jaren dat jaar gebombardeerd tot volksvijand nummer één. Kamerleden vroegen er aandacht voor en spraken daarbij hun erkentelijkheid uit voor Wilhelmina en Juliana als wegbereiders. Het Verbond zelf sprak in zijn jaarverslag van 1956 voor het eerst van een nationale ramp die het Nederlandse volk bedreigt.
Opvoeding van de weggebruikers werd in eerste instantie als de weg vooruit gezien. Het probleem werd deels veroorzaakt door de moeilijkheid der niet-gemotoriseerde weggebruikers zich aan te passen. Die mening werd overigens niet door iedereen gedeeld. "De verkeersonveiligheid is in al haar barbaarsheid teruggekeerd", zo meldde de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Voetgangers in maart 1959. Op de wegen moest daarom meer accommodatie komen voor voetgangers en fietsers.


[Staatje met verdubbeling van het aantal verkeersslachtoffers tussen 1950-1959]


In het najaar van 1959 vroeg prinses Wilhelmina de organisatie opnieuw om op haar jaarlijkse vergadering ‘voor de overweging van een jaarlijks aan te wijzen dag van rouw en bezinning teneinde hen allen [verkeersslachtoffers] te gedenken.’ Haar oproep werd ditmaal tevens ondersteund door een speciale boodschap van koningin Juliana. In een telegram benadrukte zij dat er hier sprake was van een sluipende ramp waardoor weliswaar de ontzetting niet zo groot was als bij een collectief gebeuren, zoals de Watersnoodramp, maar de gevolgen toch zeer ernstig waren.
'Bij deze aldoor en voortgaande vernieling van leven en levensgeluk past ons, dunkt ook mij, niet alleen het nemen van alle mogelijke maatregelen ter beveiliging van het verkeer, maar ook het gemeenschappelijk herdenken met warmte en met eerbied van hen, die tengevolge van het verkeer heengingen of die daardoor een groot leed kregen te dragen.'

Plannen van Juliana

De koningin had inmiddels zo haar eigen ideëen ontwikkeld hieromtrent, ongetwijfeld in overleg met haar moeder. In het najaar van 1959 verzocht zij minister Korthals van Verkeer en Waterstaat 'of het wenselijk ware ter herdenking van de vele slachtoffers van het wegverkeer jaarlijks op een bepaalde dag een stilte in acht te nemen van enkele ogenblikken, gedurende welke alle verkeer zou worden stilgelegd.' Daarop volgde er een onderling gesprek.
Het ministerie van Verkeer en Waterstaat meldde begin december 1959 aan de algemene oproep namens het Koninklijk Huis, zoals voorgelezen op het jaardiner van de Algemene Vergadering van het Verbond te Nijmegen, tegemoet te willen komen. Minister Korthals verklaarde het veiliger maken van het verkeer als een van zijn voornaamste taken te beschouwen van zijn ambtsperiode. Met het Verbond zou worden overlegd ‘teneinde te zoeken naar een passende vorm, waarin het denkbeeld van een jaarlijkse bezinning op de onveiligheid van het verkeer en een herdenking van de slachtoffers daarvan gestalte kan worden gegeven.’ De weggebruiker moest worden geleerd hoe de weg te gebruiken; daartoe zal echter nog een lange en moeizame weg moeten worden afgelegd, zo verklaarde de minister.

Nadere uitwerking plannen

In het voorjaar van 1960 presenteerde minister Korthals de plannen aan het Kabinet. Gedacht werd onder meer aan een jaarlijkse herdenkingsdag in de eerste helft van oktober, samenvallend met de congresdag van het Verbond. Op die dag zou Hare Majesteit tevens een rede kunnen houden uitgezonden door radio en televisie. Kerkgenootschappen zouden op de voorafgaande zondag eveneens aparte aandacht kunnen schenken aan het thema. Een andere mogelijkheid was om de vlag halfstok te laten hangen van openbare gebouwen of bijzondere scholen op de herdenkingsdag of een gedeelte daarvan. Ook op scholen zou aan de herdenking speciale aandacht kunnen worden gegeven. Van de oorspronkelijke gedachte van Juliana om het verkeer stil te leggen, was men inmiddels geheel afgestapt: waarschijnlijk omdat dit praktisch niet uitvoerbaar was.
De kwestie werd in het voorjaar van 1960 op 6 mei als 10e punt (‘Herdenking slachtoffers van het verkeer’) behandeld in de Ministerraad. Er werd geen besluit genomen. Wel vond men het punt van het halfstok hangen van de vlag in ieder geval ongepast. Voorafgaand aan de vergadering, bleek dat men zowel bij de ministeries van Verkeer en Waterstaat als bij Binnenlandse Zaken tevens minder gelukkig was met het idee van het in acht nemen van een moment stilte. Dat zou te zeer afbreuk doen aan de betekenis van de stilte die inmiddels bij de Dodenherdenking in acht werd genomen. Zo zat het ritueel van de ene herdenking het ontwerp van een andere inmiddels min of meer in de weg - in ieder geval volgens de zienswijze van het kabinet.
Na onderling overleg werd medio juni 1960 het definitieve plan van de herdenkingsdag vastgesteld; de uitwerking werd verder gedelegeerd aan het Verbond. Volgens de wensen van het Koninklijk Huis ging de gedachte vooral uit naar een jaarlijkse dag van rouw en bezinning. Het ministerie van Binnenlandse Zaken sprak daarom ook van een ‘bezinningsdag verkeersslachtoffers’. In het najaar van 1960 ontvingen provincies en gemeenten een circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken over de noodzakelijke gegevens en het verzoek om medewerking te verlenen aan het Verbond bij de uitvoering van zijn plannen.

Bemoeienissen Koninklijk Huis

Wie zich wellicht verbaasd over de inzet van diverse leden van het Koninklijk Huis voor deze kwestie, moet allereerst bedenken dat het aantal verkeersdoden toen erg hoog lag: jaarlijks enige duizenden doden (tegen zo'n 700 nu). Na het ‘rampjaar’ van 1953, werd paradoxaal genoeg in 1960 een nieuw dieptepunt bereikt qua aantal doden. De campagne kwam dus geen moment te vroeg.
Dat jaar zag een absolute stijging van het dodencijfer met 182 slachtoffers, tegen de statistisch gemiddeld jaarlijkse stijging met 100 doden: in totaal 1900 doden en meer dan 48.000 ernstig- en lichtgewonden. Het was duidelijk een groeiend maatschappelijk issue; sommigen spraken zelfs van een nationale ramp en anderen in de Kamer, zoals de A.R.P. afgevaardigde dr. E.P. Verkerk, van een nationale schande. En met name Juliana had in maatschappelijk opzicht vrij uitgesproken meningen. Juist ook het appèl op een morele bezinning, hoe onpraktisch misschien ook, is typerend voor haar stijl van leiderschap.

Dat daarnaast juist de kwestie van verkeersveiligheid het Koninlijk Huis zo bijzonder bezighield is al evenmin verwonderlijk. Het Koninklijk Huis was namelijk al vroeg betrokken bij de organisatie voor een veilig(er) verkeer in Nederland; Z.K.H. de Prins der Nederlanden was sinds 1938 zelfs de beschermheer ervan. Niet geheel toevallig, want in het jaar ervoor was prins Bernard aan de dood ontsnapt bij een auto-ongeluk te Diemen toen een vrachtwagen van een talud afreed de weg op en tegen de auto van Bernard botste. De Ford waarin de prins reed raakte zwaar beschadigd.
Het zou overigens niet zijn laatste ongeluk zijn; de prins hield nu eenmaal van snelle auto's. Maar ook andere leden van het Koninklijk Huis beleefden later meer of minder ernstige auto-ongelukken. En tot voor kort gaf Pieter van Vollenhoven zijn 'prinselijk' bestaan mede invulling met het voorzitterschap van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en de diverse voorgangers.

Uitvoering plannen

Op de jaarlijkse congresdag van het Verbond op 11 en 12 oktober 1960 te Groningen werden de plannen nader ontvouwd, met het accent duidelijk op de bezinning. Koningin Juliana hield een speciale radioboodschap op 12 oktober die ’s avonds om acht uur tevens voor de televisie werd herhaald; er kwam een gratis affiche ter verspreiding (25.000 zogeheten bezinningsaffiches, onder meer in alle Hervormde kerken, kazernes en politiebureau’s); een speciale editie (‘bezinningsnummer’) van het gezinsblad “Wegwijs” (200.000 exemplaren, met name bedoeld voor het bedrijfsleven en uit te reiken op 12 oktober), en een jongerenkrant getiteld “Veilig Uit”. Reeds op zondag 9 oktober besteedden de kerken ruimschoots aandacht aan de vigerende boodschap. Het Leids Dagblad plaatste aan de vooravond onder de kop "Een zaak van leven en dood" een redactioneel met o.a. een confronterende foto van een autowrak.
Volgens de verkeersredacteur was het helaas zo 'dat vele mensen in het verkeer van beschaafde, wellevende burgers in agressieve, haatdragende individuen veranderen, die vòòr alles op hun rechten staan.' Ook de media besteedden op televisie in diverse programma’s speciale aandacht aan het thema van een veilig(er) verkeer.



In haar rede ging Juliana dieper in op het aangedane leed en het zich laten verleiden tot onsportief gedrag op de weg {'zoals bv. een weliswaar heerlijk gevoel van snelheid te hebben'}, waar ten onrechte op snelheidsrecords werd gejaagd, en het gevaar van zelfoverschatting. Daar tegenover plaatste zij een visie van sportief gedrag, mede als uiting van een bepaald beschavingsniveau, waar met elkaar (en elkanders tekortkomingen) rekening werd gehouden. Naast rechten, waren er ook plichten. De rede werd als volgt afgesloten:

Ken jezelf,
ken je auto
kijk uit naar de ander
want ik ben mijn broeders hoeder

Jaren zestig

In daaropvolgende jaren zou telkens een van de ministers de ‘Nationale Bezinning op de Verkeersonveiligheid’ in oktober met een korte radiotoespraak inleidden. In 1961 was het bijvoorbeeld de beurt aan minister-president De Quay. Dat jaar verscheen tevens een bijzondere publicatie getiteld De fatale seconde.
Toevallig (?!) bleek ik dit boekwerkje enige tijd geleden al eens te hebben gekocht. Ik was vooral getroffen door de foto's als voorbeeld van crime scenes, in combinatie met de al dan niet verzonnen verhaallijnen achter de foto's die de harde boodschap van dood en verderf extra moesten thuisbrengen.



In 1963 was de slagzin "Gij zult niet doden", net als het tiende gebod. Een jaar later waarschuwde premier Marijnen voor een veldslag op de wegen. Uitvoering van het programma bleef aan het Verbond in opdracht van de regering. Vanwege de nog steeds toenemende verkeersonveiligheid door de almaar stijgende mobiliteit en groeiend autobezit, nam het thema ook zeker niet in belang af. De oplossing werd steeds meer in de wetenschappelijke hoek gezocht, o.a. oprichting van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid.
De maatschappelijke explosie van de problematiek lag duidelijk in de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig. Volgens de KNAC was 'verkeersonveiligheid nog steeds een der grootste problemen' in 1960. Het probleem werd vaak in één zin vergeleken met de toenmalige heersende woningnood.
Het was vooral ook een grote steden probleem. De problematiek van de verkeersonveiligheid leverde tevens een nieuw woord op: brokkenmaker.
In 1967 werden bijna 3.000 mensen (2855) in het verkeer gedood. CHU-kamerlid Tilanus sprak van een epidemie die dagelijks 6 à 7 doden en meer dan 100 gewonden eist. Twee jaar later werd zelfs van een pandemie gesproken. In 1968 werd de eerste Nationale Verkeersweek gehouden bij wijze van speciale aandachtsactie.
Gedurende de jaren zestig werden leden van het Koninklijk Huis nog diverse malen gevraagd om een bijdrage te leveren aan de herdenking: prinses Beatrix voor een radioboodschap in 1966 en prins Claus voor de opening van de actieweek in 1968.

Het is vooralsnog onduidelijk hoe het precies met de bezinningsdag is afgelopen in de jaren zeventig. Opvallend genoeg is Pieter van Vollenhoven initiatiefnemer geweest tot oprichting van Fonds Slachtofferhulp in 1989, die mede de jaarlijkse Nationale herdenking op de derde zondag in november voor de verkeersslachtoffers financieren. In die zin is er dus wel degelijk sprake van enige continuïteit.

Geringe impact

Ik moet toegeven: bovenstaand nieuws had niet de impact die ik verwacht had. Dit heeft in de eerste plaats te maken met het min of meer 'op slot' zitten (registratie vereist) van de website van het Nederlands Dagblad.
Timing, ook altijd cruciaal bij nieuws (in dit geval in het weekend), zal mede een rol hebben gespeeld. Andere persdiensten bleken in elk geval weinig of geen interesse te hebben, behalve notabene enkele royaltyblogs!
Maar ik vermoed tevens nog iets heel anders. Historisch nieuws over Juliana is eigenlijk helemaal geen nieuws, tenzij Bernard er op een of andere manier bij is betrokken. Haar leven wordt inmiddels geheel in het licht van zijn bestaan geplaatst, een opmerkelijke historische ontwikkeling en tevens anomalie die revisie behoeft. De 'radicale prinses' (een mooie titel overigens voor een toekomstige biografie) verdient een beter lot.

Bronnen
Archief Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling Binnenlands Bestuur.
Archief notulen van de Ministerraad.
Archief Verbond voor Veilig Verkeer.
Kranten Regionaal Archief Leiden.

1 opmerking:

Historicus zei

Ik was blij verrast om te lezen dat mijn oproep voor een gedegen biografie van Juliana al zo snel (9 december) is opgepakt door Jolande Withuis!